|
Het
Wilhelmus
Een
nieuw christelijk liedt, gemaect ter eeren des doorluchtigsten Heeren,
Heere Wilhelm Prince van Oraengien, Grave van Nassou, Patris Patriae,
mijnen Forstenende Heeren.
Het
Wilhelmus is sinds 1932 het officiële volkslied van Nederland. Het
behoort tot de 16e- eeuwse geuzenliederen. Over de exacte dateringen
en de auteur lopen de meningen uiteen. De auteur is waarschijnlijk
Marnix van St. Aldegonde.
Wat
is de tekst van het Nederlandse volkslied nu eigenlijk precies,
die bijvoorbeeld voetballers zingen voor aanvang van de wedstrijd?
Dat moeten we toch weten met de voetbalkampioenschappen in het vooruitzicht.
De
gezongen coupletten:
Wilhelmus
van Nassouwe
ben
ik van Duitsen bloed
den
vaderland getrouwe
blijf
ik tot in den dood.
Een
Prinse van Oranje
ben
ik, vrij
onverveerd,
den
Koning van Hispanje
heb
ik altijd geëerd.
Mijn
schild en de betrouwen
zijt
Gij, o God mijn Heer,
op
U zo wil ik bouwen,
verlaat
mij nimmer meer.
Dat
ik doch vroom mag blijven,
uw
dienaar t'aller stond,
de
tirannie verdrijven
die
mij mijn hert doorwondt.
De
volledige tekst is:
Wilhelmus
van Nassouwe Ben ik van Duitsen bloed, Den vaderland getrouwe Blijf
ik tot in den dood; Een Prince van Oranjen Ben ik, vrij onverveerd,
Den Koning van Hispanjen Heb ik altijd geeerd.
In
Godes vrees te leven Heb ik altijd betracht, Daarom ben ik verdreven,
Om land, om luid' gebracht; Maar God zal mij regeren Als een goed
instrument, Dat ik zal wederkeren in mijnen regiment.
Luidt
u, mijn onderzaten, Die oprecht zijn van aard, God zal u niet verlaten,
Al zijt gij nu bezwaard; Die vroom begeert te leven, Bidt God nacht
en de dag, Dat hij mij kracht wil geven, Dat ik u helpen mag.
Lijf
en goed al te samen Heb ik u niet verschoond, Mijn broeders hoog
van namen Hebben 't u ook vertoond; Graaf Adolf is gebleven In Friesland
in den slag, Zijn ziel in 't eeuwig leven Verwacht den jongsten
dag.
Edel
en hoog geboren. Van keizerlijken stam, Een vorst des rijks verkoren,
Als een vroom Christenman, Voor Godes woord geprezen Heb ik vrij
onversaagd, Als een held zonder vrezen, Mijn edel bloed gewaagd.
Mijn
schild en de betrouwen Zijt gij, o God mijn Heer, Op u zo wil ik
bouwen, Verlaat mij nimmermeer; Dat ik doch vroom mag blijven Uw
dienaar t'aller stond, Die tirannie verdrijven Die mij mijn hert
doorwondt.
Van
al die mij bezwaren, En mijn vervolgers zijn, Mijn God wilt doch
bewaren Den trouwen dienaar dijn; Dat zal mij niet verrassen In
haren bozen moed, Haar handen niet en wassen In mijn onschuldig
bloed.
Als
David moeste vluchten Voor Saul den tiran Zo heb ik moeten zuchten
Met menig edelman Maar God heeft hem verheven Verlost uit alder
nood Een koninkrijk gegeven In Israel zeer groot
Na
't zuur zal ik ontvangen Van God mijn Heer dat zoet Daar na zo doet
verlangen Mijn vorstelijk gemoed: Dat is dat ik mag sterven Met
eren in dat veld Een eeuwig rijk verwerven Als een getrouwe held
Niet
doet mij meer erbarmen In mijnen wederspoed Dan dat men ziet verarmen
Des Konings landen goed Dat u de Spanjaards krenken O edel Neerland
zoet Als ik daar aan gedenke Mijn edel hert dat bloedt
Als
een Prins opgezeten Met mijner heires kracht Van den tiran vermeten
Heb ik den slag verwacht Die bij Maastricht begraven Bevreesde mijn
geweld Mijn ruiters zag men dravenZeer
moedig door dat veld
Zo
het den wille des Heren Op die tijd had geweest Had ik geern willen
keren Van u dit zwaar tempeest Maar de Heer van hier boven Die alle
ding regeert Die men altijd moet loven En heeft het niet begeerd
Zeer
prinselijk was gedreven Mijn prinselijk gemoed Standvastig is gebleven
Mijn hert in tegenspoed Den Heer heb ik gebeden Van mijnes herten
grond Dat hij mijn zaak wil reden Mijn onschuld doen bekend
Oorlof
mijn arme schapen Die zijt in groten nood Uw herder zal niet slapen
Al zijt gij nu verstrooid! Tot God wilt u begeven Zijn heilzaam
woord neemt aan Als vrome Christen leven 't Zal hier naast zijn
gedaan
Voor
God wil ik belijden En zijner groter macht Dat ik tot genen tijden
Den Koning heb veracht Dat dat ik God den Here Der hoogster Majesteit
Heb moeten obedieren In der gerechtigheid.
|